Amsterdam brengt 'Walkability' van de stad in beeld

donderdag 4 oktober 2018 Nettie Bakker 0 reacties 205x gelezen

Hoe bereken je de beloopbaarheid, ofwel de walkability, van een stad? Julia Ubeda van onderzoeksbureau SpacesTraces bestudeerde deze vraag en ontwikkelde voor de gemeente Amsterdam – na een succesvolle pilot - een handzame, vrij universeel toepasbare methodiek op basis van een visie op actieve mobiliteit, (ruimtelijke) data en Geographical Information Systems (GIS). Een gesprek over de totstandkoming van deze nieuwe meetmethode.

Wat is de aanleiding voor het Amsterdamse walkability-concept?

“Drukte in Amsterdam is een belangrijk probleem. Het beperkt zich niet alleen tot auto’s en fietsen. Op sommige plaatsen en op sommige momenten leiden ook de voetgangersstromen tot problemen. Daarom is de gemeente gestart ook met het ‘Crowd Monitoring Systeem’ op de Wallen en de Nieuwedijk. Naast het kunnen monitoren van voetgangersstromen willen we ook meer inzicht krijgen in de kwaliteit van de beloopbaarheid van de stad, ofwel de ‘walkability’."

 

Vooronderzoek

“De start van het concept was een onderzoek naar wat ‘walkability’ is: 'Hoe kun je het definiëren en hoe kun je het beoordelen en evalueren?'. Daarbij was ook de ruimtelijke component essentieel, zodat we resultaten als output kunnen weergeven op walkability-kaarten. Mijn onderzoek bouwt voort op eerdere onderzoeken rond lopen, zoals die van architect en auteur Jan Gehl of voetgangersstudies van Transport of London. Ook het werk van de Amerikaan Jeff Speck was erg belangrijk. Hij bracht informatie over walkability in kaart. Daarnaast heb ik ook andere studies over 'walkability' onderzocht, zoals de ESRI-methodiek of de methode van Walkscore (ontwikkeld door Walkconomics).

 

Het is niet zo dat bestaande methodieken uit het buitenland niet goed zouden zijn maar de situatie in steden van Verenigde Staten, Australië of Canada, verschilt toch sterk van die in Amsterdam. Voor dit onderzoek was het dus vooral belangrijk hoe we Walkability zouden definiëren voor de Amsterdamse situatie en zouden komen tot een methodiek die praktisch uitvoerbaar en betaalbaar voor de stad zou zijn.”

 

Definitie Walkability

“Uiteindelijk is ‘Walkability in Amsterdam’ gedefinieerd als ‘de ruimte die voetgangers hebben op de stoepen om zich te verplaatsen’. De walkability-concept wordt weergegeven in de mate van voetgangerscomfort op basis van voetgangersdrukte en loopruimte en wordt gemeten op basis van ontwikkelde methode om dit te analyseren en in kaart te brengen.

 

Door de ruimte op de stoep te vergelijken met de potentiele drukte die kan ontstaan, kunnen we ieder straatdeel een walkability-score geven. Dit noemen we de walkability-kwaliteit. Vervolgens is de interpretatie van deze score een punt van discussie. Want, wanneer is iets een probleem en wanneer niet? Daartoe kan de methode de score weergeven in algemene zin, maar ook uitsplitsen naar verschillende gebruiksgroepen, zoals bewoners, toeristen en werkenden. Deze scores worden weergegeven op walkability-kaarten.”

 

Rekenformule
“De eerste beslissing was om alleen objectieve factoren op te nemen in de kaarten. Overigens zijn er wel interviews gedaan om de subjectieve component beter te begrijpen. Dit heeft geleid tot de volgende formule voor het berekenen van de walkability-scores, dat wil zeggen: de relatieve loopruimte versus de relatieve voetgangersdrukte.

 

De relatieve loopruimte is gebaseerd op de factoren stoepbreedte en fietsparkeerdruk.

De relatieve voetgangersdrukte is een waarde die is gebaseerd op de componenten: Aantal Inwoners, Voltijdsarbeidsplaatsen, Onderwijsinstellingen en studentenaantallen, Bezoekersinstellingen (musea, theaters, etc.) en bezoekersaantallen, Functies van geselecteerde categorieën (aantal winkelen, hotels, restaurants of cafes), ov-drukte (op basis van afstand tot ov-haltes en het aantal in- en uitstappers). 

Deze factoren worden per stoep berekend en gevisualiseerd op kaarten. Hierop kun je vervolgens zien waar bottlenecks ontstaan en vooral: waarom de walkability-kwaliteit er laag is. Is de voetgangersdrukte er te hoog? Of is de loopruimte misschien te laag? Of is er sprake van een combinatie van beide?”


Hoe kwam het contact met Amsterdam tot stand? 
“Ik verbleef in Amsterdam om mijn Masters aan het AMS (Advanced Metropolitan Solutions Institute) af te ronden en wilde graag iets doen met actieve mobiliteit, (ruimtelijke) data en Geographical Information Systems (GIS). Ik ben er namelijk van overtuigd dat informatie beter te begrijpen is, als je die kunt presenteren via kaarten.

 

Naar aanleiding van mijn ideeën werd ik geadviseerd om contact op te nemen met de gemeente Amsterdam. En daar kwam ik op het goede moment. Binnen de directie Verkeer en Openbare ruimte heeft de gemeente een onderzoeksteam van circa 20 mensen, die zich bezig houden met onderzoek naar verkeer en het gebruik van de openbare ruimte. Binnen dat team was behoefte aan extra informatie over voetgangers.

 

Zo heb ik in 2016 eerst vijf maanden onderzoek gedaan naar Walkability gedaan, en daarna een pilot van een half jaar ontwikkeld, waarin ik de methodiek heb toegepast. Deze pilot had betrekking op de omgevingen van Museumplein, De Pijp en Weesperstraat. Toen er een vervolgopdracht volgde heb ik daarvoor mijn bedrijf, SpaceTraces, gestart en heb als zzp'er een advies uitgebracht voor die delen van de

stad die bekend staan als het ‘Plusnet Voetganger’ (Walkability Plusnet Voetganger).”

 

Wat waren de moeilijkste hobbels en barrières? 
“Mijn startpunt betrof het toenmalige voetgangersbeleid van gemeente dat omschreven was in het ‘Kader voetganger’. Dit was echter nog erg algemeen gesteld en gaf niet goed aan wat de gemeente precies nodig had. Het belangrijkste leek me om nuttige informatie hiervoor te leveren. Vervolgens startte een zoektocht naar het ontwikkelen van een geldige en bruikbare methode op basis van objectieve data die in een GIS konden worden verwerkt.

 

Ik heb hierover met veel mensen van gemeente Amsterdam gesproken en ook veel onderzoek gedaan naar de beschikbare data en kaarten die ik kon gebruiken. Niet alleen moest ik bepalen welke data bruikbaar was. Ook bleek de data door de hele stad verspreid te zijn. En ten slotte bleken de informatiebehoefte bij de verschillende stadsdelen en diensten ook nog eens uiteen te lopen.” 

Wat levert de methode op? 
”Het bleek een goed uitgangspunt om alle informatie op een kaart beschikbaar te hebben. Het project heeft dan ook het potentieel van GIS getoond. GIS (kaarten + databases) is een goede manier om alle informatie te verzamelen en om relevante analyses uit te voeren. Je kunt immers veel factoren combineren en alles weergeven met één kaart. Dat maakt het mogelijk om meerdere vragen te beantwoorden of meerdere problemen te visualiseren.

 

Bovendien is het prettig voor beleidsmakers om beslissingen te kunnen nemen over iets dat objectief en tastbaar is als een kaart of een score. De ontwikkelde methode kan ten slotte ook verder worden uitgewerkt. Zo kunnen de kaarten worden verbeterd met meer informatie, zoals obstakels op de stoepen.”

Opbrengst
“Ik heb uiteindelijk vier verschillende walkability-kaarten gemaakt: Algemene walkability, Recreatieve walkability, Werkgerelateerde walkability en Toeristische walkability. Ze zijn beide berekend voor de eerste pilot-straten en voor het Plusnet Voetganger. Het verschil tussen de vier walkability-kaarten, zijn de factoren die je selecteert om de relatieve voetgangersdrukte te berekenen die van invloed zijn op een specifieke gebruikersgroep. 

 

 

 

 

De output van de data en GIS-methodiek  wordt weergegeven op zogenoemde Walkability-kaarten. Bovenstaande kaarten geven ‘de werkgerelateerde walkability’ weer. Dat wil zeggen: de werkgerelateerde factoren om de relatieve voetgangersdrukte te berekenen versus de ‘voetgangersruimte’.   

 

Zo selecteer je voor de Algemene relatieve voetgangersdrukte: Inwoners + arbeidsplaatsen + studenten + bezoekers + alle functiecategorieën + ov-drukte. Maar voor de Recreatieve voetgangersdrukte wil je specifiek weten welke stoepdelen naar verwachting worden gebruikt door bezoekers. Je maakt dan een andere selectie van de variabelen: Inwoners + aantal bezoekers + uitsluitend recreatieve functiecategorieën (zoals hotels, markten, winkels, cafés, restaurants, parken en groen) + ov-drukte. Inzicht in de Recreatieve voetgangersdrukte kan bijvoorbeeld helpen bij beslissingen over het al dan niet toevoegen van recreatieve functies in een gebied.”


Wat doet de gemeente met de kaarten? 
Beleidsmakers gebruiken de kaarten nu om het voetgangersbeleid verder te ontwikkelen. Een van de eerste zaken waarop de kaarten worden toegepast is het terrassenbeleid. Bij het bepalen van de omvang van het terras wordt rekening gehouden met de Walkability ter plekke.

 

Ook wordt de beloopbaarheid van de stad door de gemeente Amsterdam wel gezien als een belangrijke indicator voor de kwaliteit van de openbare ruimte. Zo gaat Walkability nu ook een rol spelen in het beoordelen van de fietsparkeerdruk. Omdat fietsen overal op de stoep mogen staan, zeggen alleen cijfers vrij weinig. Door de fietsparkeerdruk te relateren aan de walkability, krijgen cijfers over fietsparkeerdruk meer waarde.

 

Ook zijn de kaarten relevant om beter te begrijpen hoe de openbare ruimte functioneert. Zo kan de Werkgerelateerde walkability-kwaliteit laag zijn, maar dat gebeurt meestal wel tijdens piekuren (ochtend- en middagpiek) en is dus een tijdsgebonden probleem. Anderzijds heeft de recreatieve walkability vaal langere piekuren (bijvoorbeeld vanaf 10.00 tot 19.00). Daarom zal een stoep met een lage recreatieve walkability-kwaliteit meer prioriteit hebben dan een stoep met een lage werkgerelateerde walkability kwaliteit.“


Is deze aanpak te kopiëren in andere steden? 
“Ja, dat kan. De aanpak is redelijk universeel. De BGT (Basisregistratie Grootschalige Topografie) is beschikbaar voor het heel Nederland. Het bevat open en gedetailleerde informatie en ruimtelijke gegevens over de openbare ruimte van elke stad. Het kan ook worden gebruikt om de stoepbreedten berekenen en obstakels te visualiseren. Het is mogelijk om BGT te verbinden met GIS zodat het gecombineerd kan worden met eigen stedelijke data. Maar het belangrijkste blijft dan een stad een visie heeft over voetgangers en de problemen met lopen goed identificeert. De loopdrukte in Amsterdam is bijvoorbeeld anders dan die in andere Nederlandse steden, waarbij in Amsterdam de loopruimte met name beslissend is. Voor iedere stad maak je dus je eigen indeling van de walkability-scores en definieer je welke conclusie je aan welke score verbindt. Bij welke score is de walkability een probleem?”

Tips voor andere gemeenten? 
“Definieer je doelen: wat wil je met de stad? Wil je meer wandelruimtes creëren? Dan spelen de functies een grote rol. Wil je de bestaande beloopbaarheid verbeteren? Dan zijn ruimte, comfort en veiligheid de belangrijkste. Daarna verzamel je studies, gegevens en data over voetgangers. Dit aspect moet niet worden onderschat. Het kan veel tijd kosten om alle juiste data samen te brengen. Ten slotte bedenk je voor welke gebruiksgroepen je de Walkability wil bepalen.”

Reageren

Invoer verplicht
Invoer verplicht
Invoer verplicht

 

 

















 

Legenda
Bij dit veld is invoer verplicht.

vakartikelen

Artikelen 1 tot 20 van 56

1 2 3

Artikelen 1 tot 20 van 56

1 2 3

Overzicht alle vakartikelen

Verkeerskunde is een uitgave van ANWB.
© 2018 verkeerskunde.nl - alle rechten voorbehouden.