Frank Hofman: 'Hoe beter modelgebruik, hoe meer we de kracht ervan kunnen benutten'

RWS hanteert het beleid dat data open is, tenzij

donderdag 20 december 2018 Nettie Bakker 0 reacties 100x gelezen

Verkeers- en vervoermodellen blijven belangrijk voor beleids- en uitvoeringsvragen, zegt Frank Hofman, senior adviseur bij Rijkswaterstaat. Voorspellen zullen ze nooit, maar we kunnen ze nog wel veel beter gaan gebruiken. Ook nieuwe databronnen zullen ons nog meer inzicht geven. Tegelijkertijd zullen er meer integrale oplossingsrichtingen komen, die om meer berekeningen vragen. Een gesprek met Frank Hofman.
Frank Hofman, senior adviseur bij Rijkswaterstaat

Frank Hofman, senior adviseur bij Rijkswaterstaat

U schreef vier jaar geleden in Verkeerskunde: “Rijkswaterstaat streeft naar een duurzaam partnerschap met universiteiten, kennisinstellingen en marktpartijen.” Hoe staat het met de partnerschappen?  

“Rijkswaterstaat vindt het heel belangrijk om samen te werken met kennisinstellingen en marktpartijen om ervoor te kunnen zorgen dat onze modellen voldoende blijven aansluiten op de actuele internationale kennis om zo goed mogelijke informatie te kunnen opleveren ten behoeve van RWS en IenW.   

Zo vormen wij voor de verdere ontwikkeling van de goederenvervoermodellen op dit moment een alliantie waaraan naast RWS ook een aantal marktpartijen en het kennisinstituut TNO deelnemen. Ook voor de overige modellen blijven we de samenwerking zoeken met de kenniswereld voor het toetsen van onze koers, reviews op modellen of inhoudelijke verbeteringen. Naast de samenwerking die RWS heeft met een aantal universiteiten hebben we ook een Raad van Advies met een aantal hoogleraren van verschillende universiteiten die ons adviseert over onze strategische modellen”  

 

Universiteiten lijken ver vooruit te lopen op als het gaat om de modellering van verkeer, vervoer en mobiliteit, terwijl de markt nog ‘verzadigd’ lijkt met modellen die steeds minder adequaat antwoord geven op de vragen van nu. Herkent u die situatie? 

“Niet helemaal. Ook in Nederland zijn een aantal marktpartijen actief die zich intensief bezig houden met modelvernieuwing en daarmee ook een kennispartner voor ons zijn. Daarnaast ervaren wij dat niet alle modellen die in de academische wereld worden ontwikkeld even bruikbaar zijn voor het soort operationele toepassingen op landelijke schaal die wij nodig hebben voor het onderbouwen van beleidskeuzes. Het is bijvoorbeeld mogelijk om geavanceerde modellen te ontwikkelen die rekening houden met attitudes.

Om dergelijke modellen toe te passen ten behoeve van de informatiebehoefte van beleid en uitvoering zou het dan noodzakelijk zijn om in te schatten welke attitudes de Nederlandse bevolking heeft in 2030-2040. Aan dergelijke ‘voorspellingen’ is zoveel onzekerheid verbonden dat wij dat geen zinvolle ontwikkeling vinden. Dergelijke modellen kunnen wel helpen bij het  beter begrijpen van het mobiliteitssysteem, maar het is maar zeer de vraag of er betere ramingen mee kunnen worden opgesteld, gegeven alle onzekerheden die er zijn.

Onze modellen zijn uiteindelijk een instrument voor de praktische ondersteuning van besluitvorming. Dat laat overigens onverlet dat we wel proberen academische ontwikkelingen te volgen en waar mogelijk toe te passen in de praktijk. We laten ons daarbij adviseren door de eerder genoemde Raad van Advies.” 

 

Is er wat u betreft wel sprake van een groeiende kloof tussen het verkeersmodel in de praktijk en die op de universiteiten?   

“Zoals gezegd zien wij dit niet als een probleem. De modellen die wij hanteren zijn geschikt voor het doel waar wij ze voor gebruiken. Bij nieuwe en onzekere ontwikkelingen voeren we wat - als analyses uit met een speciale versie van ons model waarmee we met de nieuwste inzichten en veronderstellingen van experts verkennende analyses kunnen uitvoeren. Deze analyses zijn nog niet stevig gefundeerd met empirische informatie (want die hebben we nog niet) maar bieden wel meer vrijheid om met ons model vraagstukken te verkennen waar onze huidige basismodellen nog niet op toegesneden zijn, bijvoorbeeld op het gebied van automatisch rijden. 

We houden de wetenschappelijke ontwikkelingen in de gaten en nemen voldoende ‘bewezen’ ontwikkelingen waarmee we onze modellen kunnen verbeteren mee bij onze periodieke vernieuwingen van onze basismodellen.  

Zo creëren we juist een mooie interface tussen de nieuwste academische inzichten en onze robuuste, empirisch gevalideerde basismodellen.” 

 

Er is wel eens gesuggereerd dat er een nationale roadmap zou moeten komen om gemeenten financieel te ondersteunen bij de aanschaf van een nieuwe generatie verkeersmodellen. Hoe kijkt u daar tegenaan? 

“RWS is niet de instantie die besluiten neemt over financiële ondersteuning van gemeenten. Wel zijn we bezig met het versterken van de samenwerking met decentrale overheden bij modelontwikkeling en -gebruik. Daarbij kijken we onder meer naar te hanteren uitgangspunten, benodigde invoergegevens van modellen en te ontwikkelen modelmethodes. Door geïntensiveerde samenwerking ontstaat er een groter draagvlak voor elkaars modellen, zullen modeluitkomsten consistenter zijn, leidend tot minder discussies bij besluitvorming en kan er ook kennisdeling en kostenbesparing gerealiseerd worden door gezamenlijke model- en kennisontwikkeling.” 

 

Wat zou dit ‘het beleid en de samenleving’ opleveren? 

“Betere en consistentere beslisinformatie, meer vrijheden bij beleidsverkenningen en meer draagvlak bij verschillende stakeholders.” 

 

Kan het zijn dat er door het verschil in verkeersmodellen er ook sprake is van verschillen in inzicht – op basis van modeluitkomsten - in bijvoorbeeld nationaal of regionaal of lokaal beleid?

“Er kunnen bijvoorbeeld zeker op het scheidsvlak van het hoofdwegennet en het overig wegennet verschillen zijn in de uitkomsten van de modellen. Deze verschillen worden niet veroorzaakt door kwaliteitsverschillen maar door een andere opzet van de modellen vanwege het andere gebruiksdoel. Modellen van gemeenten bevatten vaak gedetailleerdere netwerken en nemen bijvoorbeeld vaak verkeerslichten in detail mee .  

 

Bij RWS worden studies in de omgeving van stedelijk gebied vrijwel standaard in samenwerking met de gemeentes uitgevoerd. Daarbij worden dan meestal zowel de modellen van het rijk als die van de gemeente gebruikt. Uitgangspunt daarbij is dat de wegbeheerder zelf het beste beeld heeft van de verkeersprognoses op zijn areaal: RWS voor de infrastructuur van het rijk, de gemeentes van de prognoses op gemeentelijke wegen. Belangrijk bij het combineren van de modeluitkomsten zijn het toepassingsbereik (waarvoor gebruik je welk model) en de relatie met de kenmerken van de modellen en de gehanteerde uitgangspunten. Naast de afstemming voor de weg wordt ook de afstemming van ramingen voor andere modaliteiten als OV en fiets steeds belangrijker. Algemene stelregels hoe dit gedaan moet worden zijn moeilijk te formuleren. Gedeelde expert judgements zijn daarom erg belangrijk.” 

 

Blijft het verkeersmodel belangrijk voor beleidsvragen? Kunt u dat toelichten? 

“RWS is van mening dat de verkeer- en vervoermodellen onmisbaar zijn en blijven voor beleids- en uitvoeringsvragen. Voor infrastructuuraanleg is inzicht nodig in de bereikbaarheidsproblemen en de oplossingsrichtingen op de lange termijn – daarvoor zijn toekomstramingen noodzakelijk. Ook voor overige beleidsmaatregelen bestaat de behoefte aan inzicht in de effecten van die maatregelen, rekening houdend met alle mogelijke gevolgen. Vaak kan dit inzicht alleen maar met modellen worden geleverd.  

Bij de beoordeling van nut en noodzaak van een maatregel in een Maatschappelijke Kosten Baten Analyse (MKBA) is inzicht nodig in effecten van die maatregel – bijvoorbeeld de reistijdbaten. Voor de bepaling van deze baten zijn verkeer – en vervoermodellen noodzakelijk. Een soortgelijk argument geldt m.b.t. de leefomgeving: om de effecten van bijvoorbeeld ruimtelijke plannen op natuur, luchtkwaliteit en geluid te kunnen bepalen zijn verkeersprognoses noodzakelijk. 

Wel zullen de modellen zich moeten blijven vernieuwen om voldoende in te kunnen spelen op nieuwe informatiebehoeften, actuele ontwikkelingen en de laatste wetenschappelijke inzichten.” 

   

Ervaart u als gevolg van de toename van databronnen, intussen ook al steeds nauwkeuriger prognoses en analyses door de modellen die u gebruikt? 

“De toekomst voorspellen kunnen we niet – er zijn te veel onzekere factoren die de mobiliteitsontwikkelingen beïnvloeden. Wij praten liever over het ramen van plausibele toekomstige situaties. Ook de nieuwe databronnen veranderen die conclusie niet. Wel verwachten we dat we met de nieuwe databronnen de kwaliteit van onze modellen en de efficiëntie van dataverzameling kunnen verbeteren. Er zitten nog wel veel ingewikkelde vraagstukken vast aan het toepasbaar maken van deze nieuwe databronnen.  

We verwachten in ieder geval met behulp van Floating Car Data en gegevens afkomstig van het GSM-netwerk een beter beeld te krijgen van de gemiddelde snelheden op het wegennet en van de distributie van het verkeer.” 

 

Wat zouden uw wensen voor de toekomst zijn als het gaat om modellen? 

“Omdat de beleidsvraagstukken een steeds integraler karakter krijgen, dus betrekking hebben op meerdere schaalniveaus en modaliteiten, er veel meer verschillende maatregelen worden overwogen voor zowel de korte, middellange als de lange termijn (denk aan openbaarvervoerverbeteringen, stimuleren van fietsgebruik, parkeerbeleid) en er veel nieuwe ontwikkelingen op ons afkomen (denk aan technologie, klimaat, gedrag etc.) willen we toe naar verbetering van de integraliteit en flexibiliteit van onze modellen en ook naar het creëren van een bruikbare tijdpadmodellering.

Om dit mogelijk te maken is het noodzakelijk om naast de nieuwe (big)databronnen aandacht te blijven houden voor de databronnen waarmee we gedragskeuzes kunnen koppelen aan kenmerken van personen en de huishoudens waarin ze leven. Ik denk daarbij aan het mobiliteitsonderzoek dat het CBS in opdracht van IenW uitvoert: Onderweg In Nederland (ODIN), maar ook aan het in opdracht van het Kennis Instituut voor Mobiliteitsbeleid (KIM) uitgevoerde Mobiliteits Panel Nederland waarmee we dezelfde personen op verschillende momenten in de tijd vragen naar o.a. hun verplaatsingen. In beide onderzoeken wordt dus het echte verplaatsingsgedrag vastgelegd.” 

 

Je ziet op gemeentelijk niveau ook steeds meer modelachtige applicaties ontstaan. Is het denkbaar en wenselijk als die applicaties op den duur met elkaar verbonden worden?  
“Een dergelijke beslissing zal door de gemeentes in onderling overleg genomen moeten worden - ze zijn uiteraard zelf verantwoordelijk voor een goede onderbouwing van hun eigen beleid. Het koppelen van informatie is zeker een trend en kan tot meer en beter afgestemde inzichten leiden. Consistentie en samenhang tussen verschillende modellen (gemeentes/regio’s onderling, gemeentes met de provincie en met het rijk) voorkomt ingewikkelde discussies. Koppeling van die modelapplicaties of een samenhangend stelsel van applicaties die bijvoorbeeld data delen kan daarom zeker goed werken. Een dergelijke aanpak wordt bijvoorbeeld gevolgd in de provincies Brabant en Utrecht.” 

 
Hoe staat RWS hierin (koppelen) als het gaat om open data en als het gaat om security en privacy? 

“RWS gaat uiteraard zorgvuldig om met privacy conform de AVG. Security van data heeft ook hoge prioriteit. RWS hanteert het beleid dat data open is, tenzij er een formele beslissing is genomen om de data niet openbaar te maken. Bij onze modellen en applicaties werken we toe naar een situatie waar de data zo veel mogelijk open zal zijn en voor iedereen toegankelijk. Dat hoort ook bij een transparante overheid. Momenteel moet deze informatie nog bij ons worden aangevraagd. Hierbij hanteren wij een ja-tenzij-beleid.” 
  

Ook eerder, schreef u dat er in het kader van het Kwaliteitskader Strategische Verkeers – en Vervoer Modellen (KSVV) op een aantal thema’s al geëxperimenteerd werd met samenwerkingsverbanden voor de verschillende stadia van modelontwikkeling. Hoe staat het hiermee?  

“Een eerste toets van de samenwerking waar destijds in het kader van het KSVV aan werd gedacht is de eerdergenoemde alliantie rond goederenvervoermodellen. Zoals al eerder opgemerkt achten wij samenwerking nog steeds belangrijk en zullen we ook bij andere thema’s op zoek gaan naar kansen hiervoor. Wij nodigen onze kennispartners en collega overheden nadrukkelijk uit om hierover met ons mee te denken.”  

 

Wat wilt u ten slotte nog vertellen?  
“Vaak zijn niet de modellen maar de manier waarop we ze gebruiken het probleem. De oplossing ligt dus ook niet zozeer in betere modellen maar beter modelgebruik. Transparantie, vraaggerichtheid, begrijpelijkheid en het verantwoord omgaan met onzekerheden zijn hierbij belangrijke aspecten waar we ons op richten. Pas als we ons bewust zijn van de mogelijkheden en beperkingen van modellen en hoe we daar als modelleurs en gebruikers goed mee om kunnen gaan kunnen we de kracht van modellen echt gaan benutten.” 

 

 

Reageren

Invoer verplicht
Invoer verplicht
Invoer verplicht

 

 

















 

Legenda
Bij dit veld is invoer verplicht.

Verkeerskunde is een uitgave van ANWB.
© 2019 verkeerskunde.nl - alle rechten voorbehouden.